Naar inhoud springen

hare

Uit WikiWoordenboek
  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijneons, onzeonze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwejullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uwuweuwuwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijnehunhunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
z'n
(ervan)
zijne
3e persoon
(genderneutraal)
hunhunne
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm
  • ha·re
  • haar met de uitgang -e

hare

  1. zelfstandige vorm van haar, derde persoon enkelvoud vrouwe
    • Is dit kopje nu het hare of is het het jouwe? 
     Toen hij zijn hand op de hare legde, was ze verbaasd over de warmte ervan.[1]
     Waarom zie ik dat nu pas?' En dan zouden ze elkaar kussen, hij zou haar gezicht tussen zijn handen nemen en zijn lippen zacht op de hare leggen, vol verbazing over hoe goed ze was.[1]
  2. (verouderd) verbogen vorm van haar
    • Hare Majesteit is op televisie geweest. 
enkelvoud meervoud
naamwoord hare haren
verkleinwoord

deharev/m

  1. zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord: een persoon die tot haar behoort
    • Deze man is een van de haren. 
vervoeging van
haren

hare

  1. aanvoegende wijs van haren
88 %van de Nederlanders;
70 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
hare hares

hare

  1. (haasachtigen) haas