apenhaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • apen·haar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord apenhaar
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

apenhaar o [1]

  1. fijngesneden tabak
    • Het land van de Gauloises, Bastos en Gitanes - volgens de verslaafde kenners gevuld met apenhaar, een fijngesneden tabak - wil af van sigaretten met een verleidelijke naam. [2] 
  2. het haar van de vacht van een aap
    • Soms zijn de monologen van Mussolini taai als apenhaar, op andere momenten is hij kort, nors en afwerend, dan weer komt hij bevlogen, erudiet en belezen voor de dag en snelt hij recht op een (poging tot) intellectuele rechtvaardiging van zijn beleid af. [3] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen