paardenhaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

danspluim van paardenhaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • paar·den·haar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paardenhaar
verkleinwoord

|paardenharen

Zelfstandig naamwoord

paardenhaar o [1]

  1. de haren van een paard, met name de haren van de paardenstaart
  2. stofnaam wat van paardenhaar is gemaakt
    • Hier kan je je sinds 1692 in stijl voorbereiden op het kerstfeest. Het oude stadscentrum is autovrij en van de Schlossplatz tot de Marktplatz wandel je op kasseiwegen langs om en bij de driehonderd, prachtig versierde, kerstkraampjes. Tip voor souvenirs: zoek naar specialiteiten uit de Zwarte Woud-streek, zoals vilten en borstels met paardenhaar. [2] 
    • Kunnen unieke sieraden van paardenhaar het geïsoleerde Chileense dorpje Rari een florissante toekomst bieden? „I hope so”, verzucht de 33-jarige Daniela González. De afgelopen maand exposeerde de Chileense met kunstwerkjes gemaakt van ‘crin’, ofwel paardenhaar, in galerie Beeld en Aambeeld aan de Walstraat. Zaterdag werd de expositie feestelijk afgesloten met een workshop. [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 09/november/2016 door vwh
  3. Tubantia Enschede 30-juli-2012