z'n

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-
Uitspraak
Woordafbreking
  • z'n

Bezittelijk voornaamwoord

z'n

  1. de clitische, onbenadrukte vorm van 'zijn'
    • Hij heeft eindelijk z'n zin gekregen. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.