schaamhaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

schaamhaar schematische afbeelding
Uitspraak
Woordafbreking
  • schaam·haar
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

schaamhaar o

  1. het haar dat groeit in de schaamstreek bij het os pubis
    • Vanaf de puberteit krijgen jongens en meisjes schaamhaar in de schaamstreek. 
enkelvoud meervoud
naamwoord schaamhaar schaamharen
verkleinwoord schaamhaartje schaamhaartjes

Zelfstandig naamwoord

schaamhaar v/m[2]

  1. een van de haartjes van het schaamhaar
    • Door DNA analyse van een schaamhaar kon de politie de dader van de verkrachtingszaak vinden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen