m'n

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-
Uitspraak
Woordafbreking
  • m'n
Woordherkomst en -opbouw
  • Fonetisch gereduceerde vorm van mijn.

Bezittelijk voornaamwoord

m'n

  1. van de eerste persoon enkelvoud
    • Ken jij m'n neef toevallig? 
Vertalingen

Gangbaarheid