baardhaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

man met witte baardharen
Uitspraak
Woordafbreking
  • baard·haar
Woordherkomst en -opbouw
o enkelvoud meervoud
naamwoord baardhaar --
verkleinwoord baardhaartje baardhaartjes
m/v enkelvoud meervoud
naamwoord baardhaar baardharen
verkleinwoord baardhaartje baardhaartjes

Zelfstandig naamwoord

baardhaar o [1]

  1. al het haar van een baard
    • Baarden zijn hip, maar elke dag kijken naar hetzelfde baardhaar wordt ook weer zo gewoon. Gelukkig kunnen baarddragers met de feestdagen weer flink uitpakken. Na de kerstballenbaard, is het nu de glitterbaard die 'je van het'gaat worden.[2] 
    • Er hoeven geen nieuwe regels te komen laat de woordvoerder van de plaatselijke brandweerkorps weten omdat daar al jaren in de reglementen staat dat baardhaar verboden is bij het dragen van zuurstofmaskers.[3] 

baardhaar m/v

  1. één van de haren van een baard
    • En ze ontwikkelden de eerste space-shaver, een scheerapparaat met ingebouwde stofzuiger zodat de baardharen niet zouden gaan zweven in de ruimte. Maar vooral in consumenten-elektronica kreeg alles geleidelijk een heel sterk space-design. Alles werd rond en organisch gevormd en het bedrijf huurde topdesigners in.[4] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia CHANTAL ANTHONIO 24 nov. 2015
  3. Tubantia 27-JANUARI-2017
  4. de Telegraaf NICO FASSOTTE 01 dec. 2016