haarföhn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haar·föhn
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haarföhn haarföhns
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

haarföhn m

  1. föhn om het haar te drogen, haardroger

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be