ek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Afrikaans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ek my ons ons
2e persoon
(informeel)
jy jou julle julle
2e persoon
(formeel)
u u u u
3e persoon
(mannelijk)
hy hom hulle hulle
3e persoon
(vrouwelijk)
sy haar
3e persoon
(onzijdig)
dit dit
Woordafbreking
  • ek
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Nederlandse ik

Persoonlijk voornaamwoord

ek

  1. ik, 'k; 1e persoon nominatief enkelvoud
Schrijfwijzen
  • (in Kaapstad of verouderd) ik
Synoniemen


Esperanto

Tussenwerpsel

ek

  1. hup, vooruit


Fijisch Hindoestani

Telwoord (hif)
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

ek

  1. één


Fries

Woordafbreking
  • ek
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Oudfriese āk

Bijwoord

ek

  1. ook
Schrijfwijzen

Verwijzingen


Lets

Tussenwerpsel

ek

  1. nou (om onwilligheid uit te drukken)
Verwante begrippen


Middelengels

Uitspraak
Woordafbreking
  • ek
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Angelsaksische ēac

Bijwoord

ek

  1. ook, daarnaast
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening


Middelnederduits

Uitspraak
  • IPA: /ɛk/, /ek/
Woordafbreking
  • ek
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Oudsaksische ek / ik

Persoonlijk voornaamwoord

ek

  1. ik, 'k; 1e persoon nominatief enkelvoud
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening


Nedersaksisch

Woordafbreking
  • ek
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middelnederduitse ek / ik

Persoonlijk voornaamwoord

ek

  1. ik, 'k; 1e persoon nominatief enkelvoud
Schrijfwijzen


Noord-Fries

Woordafbreking
  • ek
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Oudnoordse ekki

Bijwoord

ek

  1. niet


Nynorsk

Werkwoord

ek

  1. verouderde spelling of vorm van akar tot 2012
(verouderd) lijdende vorm van aka en ake


Oudfries

Woordafbreking
  • ek
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-West-Germaanse *aik

Zelfstandig naamwoord

ek v

  1. (plantkunde) eik
Schrijfwijzen


Oudsaksisch

Uitspraak
  • [B] IPA: /ɛːk/
Woordafbreking
  • ek
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afgeleid van het Proto-Germaanse *ek
  • [B] Afgeleid van het Proto-West-Germaanse *aik

Persoonlijk voornaamwoord

ek [A]

  1. ik, 'k; 1e persoon nominatief enkelvoud
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening

Zelfstandig naamwoord

ek v [B]

  1. (plantkunde) eik
Schrijfwijzen
Overerving en ontlening


Westfaals

Woordafbreking
  • ek

Persoonlijk voornaamwoord

ek

  1. (Zuidwestfaals) ik, 'k; 1e persoon nominatief enkelvoud
Schrijfwijzen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ek

Zelfstandig naamwoord

ek g

  1. eik
  2. eikenhout
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   ek     eken     ekar     ekarna  
genitief   eks     ekens     ekars     ekarnas