ie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordafbreking
  • ie
Woordherkomst en -opbouw
  • Waarschijnlijk een voortzetting van het Middelnederlandse (h)i, waarbij de lange ī geen tweeklank ij geworden is.[1]

Persoonlijk voornaamwoord

ie

  1. (Noord-Nederlands) de clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief.
    Heeft ie een hoed?
Synoniemen
Opmerkingen
  • Dit woord wordt ook wel geschreven als 'ie, en als -ie (waarbij deze vorm aan het voorgaande woord wordt geplakt).
Vertalingen


Fries

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

ie m/v[3]

  1. beek, stroom
  2. meer
Afgeleide begrippen
en de volgende aardrijkskundige namen:


Middelnederlands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

ie m/v[5]

  1. Ee als deel van Westfriese waternamen en daarvan afgeleide plaatsnamen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening


Verwijzingen
  1. M.C. van den Toorn, ‘De herkomst van het enklitisch pronomen ie, resp. die/tie.’ In: De Nieuwe Taalgids 52 (1959), p. 85-90
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. 'ie' in het Woordenboek der Friese taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal
  5. IE in het Middelnederlands Woordenboek