jouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-
Uitspraak
Woordafbreking
  • jouw
Woordherkomst en -opbouw

Bezittelijk voornaamwoord

jouw [2]

  1. (informeel) van jou
    • Is dat jouw auto? 
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
jouwen

jouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jouwen
    • Ik jouw. 
  2. gebiedende wijs van jouwen
    • Jouw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jouwen
    • Jouw je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord jouw jouwen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jouw m [3]

  1. uitroep (van vreugde)
  2. uitroep (van spot)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen