jouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-
Uitspraak
Woordafbreking
  • jouw
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bezittelijk voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1290 [1]
  • [2]

Bezittelijk voornaamwoord

jouw [3]

  1. (informeel) van jou
    • Is dat jouw auto? 
     ’Ik moet er zelf niet aan denken. Maar het is jouw leven en als je er blij van wordt moet je het gewoon doen.’[4]
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
jouwen

jouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jouwen
    • Ik jouw. 
  2. gebiedende wijs van jouwen
    • Jouw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jouwen
    • Jouw je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord jouw jouwen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jouw m [5]

  1. uitroep (van vreugde)
  2. uitroep (van spot)

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen