je

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Naar frequentie 2
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordafbreking
  • je

Persoonlijk voornaamwoord

je tweede persoon enkelvoud informeel

  1. onbenadrukte vorm van jij.
    Je hebt een leuke partner. (onderwerp).
    Wat zoek je?
  2. onbenadrukte vorm van jou.
    Iedereen kent je (lijdend voorwerp).
    Ik geef het je morgen wel (meewerkend voorwerp).
    Ze houden van je (na voorzetsel).

Onbepaald voornaamwoord

  1. informeel voor onbepaald men.
    Je weet nooit wat er kan gebeuren. (onderwerp)
    Het zal je maar gebeuren. (meewerkend voorwerp)
    Dat is beter voor je. (na voorzetsel)


  enkelvoud meervoud
verplicht keuze verplicht keuze
1e persoon mij
me
mijzelf
mezelf
ons onszelf
2e persoon
(informeel)
je jezelf je jezelf
2e persoon
(formeel)
zich zichzelf zich zichzelf
2e persoon
(regionaal)
u uzelf u uzelf
3e persoon
zich zichzelf zich zichzelf

Wederkerend voornaamwoord

  1. wordt gebruikt bij de tweede persoon enkelvoud- en meervoud.
    Jij kleedt je aan.
    Jullie wassen je.
Opmerkingen
  • Deze vorm wordt gebruikt als de reflexiviteit verplicht is, dat wil zeggen dat het werkwoord alleen als wederkerend gebruikt kan worden. Ook optioneel wederkerende werkwoorden kunnen het gebruiken maar voor deze is jezelf gebruikelijker.
Verwante begrippen


  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-

Bezittelijk voornaamwoord

je

  1. tweede persoon enkelvoud onbenadrukte vorm van jouw.
    Heb je problemen met je pc?
    Spreek je moerstaal!
  2. tweede persoon meervoud onbenadrukte vorm van jullie.
    Hebben jullie je moeder nog bezocht?
Vertalingen



Frans

nominatief genitief datief accusatief benadrukt
je mon / ma /
mes
moi me moi
Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

je (j') eerste persoon enkelvoud

  1. ik
    Je suis - «ik ben».
    J'ai - «ik heb».
    J'hésite - «ik aarzel».
Voor een woord dat met een klinker of een stomme h begint wordt je vervangen door j'

.Je vais à la mer avec toi.

Ik ga met je naar zee.


Slowaaks

Uitspraak

Werkwoord

je

  1. derde persoon tegenwoordige tijd enkelvoud van byť: is


Tsjechisch

Werkwoord

je

  1. derde persoon tegenwoordige tijd enkelvoud van být:is
    «Česká republika je země v Evropě.»
    'Tsjechische Republiek is een land in Europa.'