ihr

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
1 enkelvoud meervoud
nominatief du ihr
genitief deiner euer
datief dir euch
accusatief dich euch
Woordafbreking
  • ihr
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Van het Middelhoogduitse en Oudhoogduitse ir.
  • [2] Van het Middelhoogduitse ir, op zijn beurt van het Oudhoogduitse ira, iro, iru.

Persoonlijk voornaamwoord

2 enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig
nominatief er sie es sie
genitief seiner ihrer seiner ihrer
datief ihm ihr ihm ihnen
accusatief ihn sie es sie

ihr

  1. jullie
    «Ihr wisst, was ihr zu tun habt.»
    Jullie weten wat je te doen staat.
  2. (aan/voor) haar (datief vrouwelijk enkelvoud van de derde persoon)
    «Gib ihr auch ein Stück Kuchen!»
    Geef haar ook een stuk koek!