Naar inhoud springen

zijne

Uit WikiWoordenboek
  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijneons, onzeonze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwejullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uwuweuwuwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijnehunhunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
z'n
(ervan)
zijne
3e persoon
(genderneutraal)
hunhunne
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm
  • zij·ne

zijne

  1. zelfstandige vorm van zijn, derde persoon enkelvoud mannelijk
    • Is dit kopje nu het zijne of is het het jouwe? 
     Ze zag voor zich hoe ze haar hand in de zijne stak en hoe ze hier dan eeuwig samen zouden blijven staan.[1]
     Opgelucht plaatste ik mijn tent vlak bij de zijne, maar merkte dat ik nog steeds zwaar adem haalde vanwege de hoogte.[2]
  2. (verouderd) verbogen vorm van zijn
    • Zijne Majesteit komt op bezoek. 
enkelvoud meervoud
naamwoord zijne zijnen
verkleinwoord

dezijnev/m

  1. zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord: een persoon die tot hem behoort
    • Deze man is een van de zijnen. 
  • ieder het zijne
men krijgt wat men verdient
  • Grammaticaal zijn bovenstaande vormen ook geldig voor het onzijdig, maar zij worden vrijwel alleen voor mannelijke personen gebruikt.
96 %van de Nederlanders;
80 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be