zijne

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-


Woordafbreking
  • zij·ne

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Bezittelijk voornaamwoord

zijne

  1. zelfstandige vorm van zijn, derde persoon enkelvoud mannelijk
    • Is dit kopje nu het zijne of is het het jouwe? 
  2. (verouderd) verbogen vorm van zijn
    • Zijne Majesteit komt op bezoek. 


enkelvoud meervoud
naamwoord zijne zijnen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zijne v/m

  1. zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord: een persoon die tot hem behoort
    • Deze man is een van de zijnen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • ieder het zijne
men krijgt wat men verdient
Opmerkingen
  • Grammaticaal zijn bovenstaande vormen ook geldig voor het onzijdig, maar zij worden vrijwel alleen voor mannelijke personen gebruikt.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
82 % van de Vlamingen.