stuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stuk
enkelvoud meervoud
naamwoord stuk stukken
stuks
verkleinwoord stukje stukjes

Zelfstandig naamwoord

stuk o

  1. deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
    De prachtige vaas viel in vele stukken op de vloer.
    Van wie is dat stuk speelgoed?
    Zodra ook dat stuk geschut is opgesteld, is de batterij compleet.
  2. (kunst) een afgerond product van nijverheid of kunst
    Dit stuk is als blijspel niet erg geslaagd.
    We moeten dat andere stuk ook nog repeteren.
  3. (handel) één als teleenheid
    Hoeveel exemplaren zijn er nog over? - Nog drie stuks.
    Die appels kosten € 0,50 per stuk
    Op de veemarkt kocht de boer drie stuks vee.
  4. een onbepaalde hoeveelheid of maat
    Kom, we lopen nog een stukje.
    Ik zoek nog een stuk gordijnstof.
    Daarmee is dat lemma stukken beter geworden.
  5. document, oorkonde
    Uit de stukken bleek daar niets van.
  6. opstel, artikel
    Hij heeft een stukje voor de krant geschreven.
  7. (informeel) een aantrekkelijk persoon (man of vrouw)
    Wat een stuk is dat zeg!
  8. (kaartspel) de combinatie troef koning en troef vrouw bij klaverjassen
    We hadden stuk en een driekaart, samen veertig roem.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
  • [1]: onderdeel, onderverdeling
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: stuk voor stuk
allemaal, zonder uitzondering
  • [4]: een stuk in de kraag gedronken hebben
veel sterke drank op hebben (door de keel/kraag)
Vertalingen
stellend
onverbogen stuk
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

stuk

  1. kapot, gebroken
    Die vaas is stuk.
  2. defect
    Zijn computer was stuk.
Vertalingen

Bijwoord

stuk

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord in stukken gebroken
    stukslaan: Het schip sloeg stuk op de rotsen.