beginstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gin·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beginstuk beginstukken
verkleinwoord beginstukje beginstukjes

Zelfstandig naamwoord

beginstuk [1]

  1. eerste deel van iets
    • ,,Het beginstuk van het parcours was een beetje glad, zei Kuipers over de allereerste KP op zaterdagmorgen, Sweet Lamb, waar hij begin vorige week z'n auto al testte. ,,Heel veel modder, en we hadden daardoor niet zoveel grip op het gravel. Het was wel een perfecte proef voor de deelnemers die van spektakel houden, met al het geglij, de jumps en water dat alle kanten uit spatte. [2] 
    • ‘Ik kom niet naar het randje, want ik ben bang dat je me er vanaf duwt.’ ‘Ik duw je echt niet naar beneden. Kom nou maar.’ Hij kijkt er wanhopig bij. Ik geef hem ook geen ongelijk. Nooit eerder zal onze skileraar Mark zulke hopeloze leerlingen hebben gehad. We durven eigenlijk helemaal niets. Ja, de groene piste, dat lukt dan nog wel. Nou ja, ná dat enge beginstuk dan. Ik ski uiterst voorzichtig naar het randje van de blauwe piste. No way, dat durf ik dus echt niet. [3] 
Verwante begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Dick Janssen 12-11-11, Kuipers zevende na dag 3 in Wales Rally
  3. De Telegraaf 15 mrt. 2013 Sorry Mark
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be