plak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plak
enkelvoud meervoud
naamwoord plak plakken
verkleinwoord plakje plakjes

Zelfstandig naamwoord

plak v / m [1] [2]

  1. spul waarmee men kan plakken bijv. behangplak, lijm [3]
  2. (voeding) afgesneden stuk (schijf) van iets groters [4]
  3. (sport) (informeel) medaille
  4. (medisch) plaque -> tandplak [5] [6]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
plakken

plak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
    • Ik plak. 
  2. gebiedende wijs van plakken
    • Plak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
    • Plak je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen