totaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·taal
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijnse tōtus met het achtervoegsel -aal [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen totaal totaler totaalst
verbogen totale totalere totaalste
partitief totaals totalers -

Bijvoeglijk naamwoord

totaal

  1. geheel
    • De totale productiewaarde van de sector steeg met 10%. 
  2. volkomen, volledig
    • De Europese top is uitgelopen op een totale mislukking. 
enkelvoud meervoud
naamwoord totaal totalen
verkleinwoord totaaltje totaaltjes

Zelfstandig naamwoord

totaal o

  1. alle onderdelen tezamen
    • Het totaal is meer dan de som der delen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl