stukslaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stuk·slaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stukslaan
sloeg stuk
stukgeslagen
klasse 6 volledig

Werkwoord

stukslaan

  1. overgankelijk slaan tot iets breekt
    • De inbreker had een ruitje stukgeslagen. 
  2. overgankelijk (spreektaal) (figuurlijk) uitgeven van geld voor vermaak
    • Aan de bar kon hij op een avond gemakkelijk 200 euro stukslaan. 
  3. ergatief gebroken raken
    • Het schip was op de rotsen stukgeslagen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be