hamerstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·mer·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hamerstuk hamerstukken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hamerstuk o

  1. voorstel dat zonder discussie wordt afgedaan maar louter met een hamerslag bekrachtigd wordt
    • Zijn aanstelling was een hamerstuk voor de gemeenteraad. 
  2. (bouwkunde) hamervormig breed uiteinde van een balk die op een muur rust

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.