zetstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zet·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zetstuk zetstukken
verkleinwoord zetstukje zetstukjes

Zelfstandig naamwoord

zetstuk o [1]

  1. een los, verplaatsbaar decorstuk
    • Het is een goede zaak dat een genrefilmer in tijden van het grote herkauwen in Hollywood de lat bewust hoger legt en de intelligentie van zijn publiek niet onderschat, maar Triangle zit zo gekunsteld in elkaar dat de personages zetstukken in het schaakspel van de maker blijven. [2] 
    • Kom maar op met dat melodrama, neem ons op sleeptouw met die onsterfelijke liefde en trek een traan of twee, indien u de gevoelige snaar weet te vinden. Niets van dat alles: Lively weigert over de brug te komen, baardman Huisman blijft met grijns en opgetrokken wenkbrauwen hunkeren en regisseur Lee Toland Krieger verplaatst zijn zetstukken van de ene sfeervolle vitrinekast naar de andere stemmige etalage. De glazen plaat blijft keurig zitten, een gebalsemde film lang. [3] 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen