toneelstuk
Uiterlijk
- Geluid: toneelstuk (hulp, bestand)
- to·neel·stuk
- samenstelling van toneel en stuk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | toneelstuk | toneelstukken |
| verkleinwoord | toneelstukje | toneelstukjes |
het toneelstuk o
- (toneel) een verhaal dat bestemd is om uitgebeeld te worden
- een onechte manier van doen om iemand een verkeerde voorstelling van zaken te geven
- ▸ Maar die kenmerkende, priemende blik van Lauren, het verwijden van haar pupillen en het samentrekken van haar lippen alsof ze op een rietje zuigt, zegt me dat het toneelstuk van de afgelopen dagen voor niets is geweest.[2]
- Het woord toneelstuk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "toneelstuk" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- 1 2 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be