mondstuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mond·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mondstuk mondstukken
verkleinwoord mondstukje mondstukjes

Zelfstandig naamwoord

mondstuk o

  1. (muziek) dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie