zangstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zang·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zangstuk zangstukken
verkleinwoord zangstukje zangstukjes

Zelfstandig naamwoord

zangstuk o

  1. (muziek) een lied.
    • De artiest voerde het zangstuk op. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.