bewijsstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wijs·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bewijsstuk bewijsstukken
verkleinwoord bewijsstukje bewijsstukjes

Zelfstandig naamwoord

bewijsstuk o

  1. (juridisch) iets dat men kan gebruiken om aan te tonen dat een bewering juist is
    • De politie vond vele bewijsstukken die duiden op moord. 
     Ze hield de plastic tas met daarin het bewijsstuk pontificaal omhoog.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be