zijstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

zijstuk van een kerkbank
Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijstuk zijstukken
verkleinwoord zijstukje zijstukjes

Zelfstandig naamwoord

zijstuk o [1]

  1. deel van een voorwerp dat de zijkant vormt
    • Kachel? Op een open boot? Net als bij de oerversie van de Landrover kun je een gesloten kajuit maken door losse zijstukken in het frame te ritsen. Zo ontstaat een vierpersoons cockpit die je kunt verwarmen.[2] 
    • De carbon monocoque van de Coupé bestaat uit drie componenten. Het geheel weegt nog geen 100 kilogram. Zowel de voor- als achterzijde en de zijstukken zijn versterkt zodat er bij een mogelijke botsing voldoende bescherming gegarandeerd kan worden. "Vooral dat veiligheidsaspect is een lastige opgave omdat de Europese normen op een hoog niveau liggen", aldus Tino.[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf EPCO ONGERING EN WERNER BUDDING 08 jul. 2017
  3. de Telegraaf SJOERD BILSEN, VAN 08 nov. 2012