leesstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lees·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leesstuk leesstukken
verkleinwoord leesstukje leesstukjes

Zelfstandig naamwoord

leesstuk o [1]

  1. tekst die vooral geschikt is om te lezen
  2. een toneelstuk alleen maar kan worden voorgelezen, maar niet gespeeld
    • In 1990 volgde er nog een halfslachtige poging bij De Balie. Ook Lucas Vandervost beschouwde De fantasten aanvankelijk alleen als een leesstuk. Pas toen bleek dat het publiek minder afwijzend op de lezingen reageerde dan hij gevreesd had, besloot hij dat een echte enscenering ook mogelijk moest zijn. [2] 
    • Goethe schreef het niet met het oog op opvoering in de schouwburg, maar als leesstuk voor in de salon of sociëteit. Wat dat betreft is het ondanks alles een hele prestatie dat Braches' kleine clubje deze zelden gespeelde Faust-versie nieuw leven heeft ingeblazen, in een echt theater. [3] 
    • “Totenauberg is een leesstuk, misschien een spreekstuk, waarin geen dialoog voorkomt, maar waarin lange monologen de thema's "Heimat' en cosmopolitisme, toeristengeilheid en vreemdelingenangst, natuurverheerlijking en onmenselijkheid omspelen.” [4] 
Verwante begrippen
Antoniemen


Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.


Verwijzingen