hakstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hak·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hakstuk hakstukken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hakstuk o

  1. achterste deel van een schoen of laars
  2. deel van iets dat speciaal geschikt is voor de hak van de voet
    • Op het computerscherm is het eindresultaat al zichtbaar. Diverse formaten liggen kriskras maar stijf tegen elkaar aan, om het materiaalverlies zo veel mogelijk te beperken. Na het snijden krijgt de mat een keurige zoom, een extra hakstuk en eventueel een logo. [1] 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad Frank van de Beek 28-10-2005 Slijten doet een automat altijd