braadstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • braad·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord braadstuk braadstukken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

braadstuk o [1]

  1. (voeding) groot stuk vlees dat men braadt
    • Proeven, smullen en vingers aflikken. Hapjes, spijzen en lekkernijen uit de prehistorie, Romeinse tijd en middeleeuwen. Kom zaterdag 26 en zondag 27 september naar Archeon Culinair en proef hapjes uit de prehistorie, Romeinse tijd en middeleeuwen. Beide dagen is Pierre Wind in de weer met insectenhapjes uit de prehistorie, Romeinse gerechten voor jong en oud, tot het middeleeuwse braadstuk. [2] 
    • Als een krijger in gevecht, sta ik op 1 Kerstdag, bouillon te zeven, groenten te hakken en het spek om het braadstuk te binden. Vriendlief vraagt vriendelijk of ik misschien een bubbeltje wil voor bij het koken maar vlucht dan, na het zien van mijn gezicht, heel verstandig, voordat een pan zijn hoofd raakt, de keuken uit. [3] 
    • Gek genoeg raak ik daardoor zelf ook in die modus. Al noem ik dat geen stress, maar presteren onder druk. Het liefste doe ik namelijk mijn Nieuwjaars inkopen al in september van het jaar ervoor, al weet ik dat het onmogelijk is om dan de beste deals te krijgen laat staan dat het braadstuk voor t Nieuwjaarsdiner te serveren is zonder mankementen, maar goed alles om de rust te bewaren. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf 23 sep. 2015 Ouderwets smikkelen
  3. De Telegraaf 04 jan. 2016 Glitter en glamour
  4. De Telegraaf 04 jan. 2016 Lekker alles op het laatste moment