kasstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kasstuk kasstukken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kasstuk o [1]

  1. een film of uitvoering die alle verwachtingen overtreft wat betreft de opkomst van publiek
    • Voor het misselijke ‘Schlager’ hebben we het goede woord kasstuk; we zouden desnoods ook successtuk kunnen zeggen. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. (1945)– [tijdschrift] Onze Taal Onze Taal. Jaargang 14
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be