Naar inhoud springen

stoot

Uit WikiWoordenboek
  • stoot
enkelvoud meervoud
naamwoord stoot stoten
verkleinwoord stootje stootjes

destootm

  1. een kracht van korte duur die tegen iets of iemand aan wordt uitgeoefend
    • Hij gaf hem een flinke stoot. 
     Hoewel Joy daarstraks nog in een halve coma verkeerde, schuifelt ze nu opeens ook de ontbijtzaal binnen en geeft me een stoot terwijl ze naar haar telefoon staart.[1]
  2. een kortdurende dosis
     Er schoot een stoot adrenaline door mijn lijf en ik bleef doodstil staan.[2]
  3. (Zuid-Nederlands) een ongelooflijke en vaak toevallige gebeurtenis
  4. (informeel) aantrekkelijk, knap iemand
  • horten en stoten
met schokken vooruitgaan
 Duidelijkheid over vliegvakantie komt met horten en stoten (en rijkelijk laat)[3]
vervoeging van
stoten

stoot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van stoten
  2. gebiedende wijs van stoten
     Om mezelf af te leiden stoot ik een Griek met een brede snor aan die naast me staat te wachten.[4]
     'Ga je naar Italië voor werk?' 'Nee, we gaan wan ' Ik stoot Lot aan.[1]
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 27 juni 2022 Weblink bron “Duidelijkheid over vliegvakantie komt met horten en stoten (en rijkelijk laat)” (24 juni 2022), NU.nl
  4. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be