eind

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eind
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eind einden
verkleinwoord eindje eindjes

Zelfstandig naamwoord

eind o

  1. een afstand van beperkte lengte
    • Hij liep een eind en keerde dan weer terug. 
     Ik wachtte een paar minuten tot de kust echt veilig was. Toen nam ik een reusachtige sprong en rende een heel eind verder.[2]
  2. een kort stukje
    • Ik maakte het pakje dicht met een eindje touw 
    • Het is nog maar een klein eindje lopen dan zijn we thuis. 
     Niet voor niks ging een creatieve ondernemer als Steve Jobs altijd een eindje lopen om iets te bespreken.[2]
  3. daar waar iets ophoudt, het uiterste deel van iets
    • Het eind van het boek was heel spannend. 
  4. het moment dat iets ophoudt
    • Het eind van de film was erg voorspelbaar. 
  5. het laatste deel van iets
    • Ik ben eind juli geboren. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • eind goed, al goed
als iets goed afloopt dan zijn alle problemen die er geweest zijn vergeten.
  • aan het kortste eind trekken
een strijd verliezen
  • aan het langste eind trekken
een strijd winnen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
einden

eind

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van einden
    • Ik eind. 
  2. gebiedende wijs van einden
    • Eind! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van einden
    • Eind je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. eind op website: Etymologiebank.nl
  2. 2,0 2,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord eind einde

Zelfstandig naamwoord

eind

  1. eind