wisselstuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wis·sel·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wisselstuk wisselstukken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wisselstuk o [1]

  1. onderdeel ter vervanging van een kapot onderdeel
    • Het Italiaanse bedrijf bevindt zich volgens Descheemaecker financieel ín moeilijk vaarwater'. 'Wij weten dat AnsaldoBreda al een aantal jaar te koop staat. Waar gaan we wisselstukken krijgen als het bedrijf verder financieel in de problemen raakt?' De NMBS heeft geen vertrouwen meer in de producent. 'Daarom heeft de NMBS ook nog geen treinen afgenomen.'Alles bij elkaar opgeteld heeft de NMBS besloten het contract met AnsaldoBreda te verbreken.[2] 
    • De reizigers konden woensdagnamiddag om 16.30 uur niet naar huis vertrekken, omdat het vliegtuig dat hen naar Brussel moest brengen in Lanzarote aan de grond stond met technische problemen. Omdat er wisselstukken moesten worden overgevlogen, heeft het uiteindelijk 42 uur geduurd voordat de toeristen weer konden vertrekken. Vrijdagochtend om 10.30 uur is hun vliegtuig dan toch kunnen opstijgen.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Volkskrant 31 mei 2013, [ Waslijst aan problemen: België stopt met de Fyra ]
  3. de Standaard 11/08/2017 Vakantiegangers met 42 uur vertraging vertrokken uit Lanzarote