brok
Uiterlijk

- brok
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | brok | brokken |
| verkleinwoord | brokje | brokjes |
- blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
- Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven.
- restant van een constructie
- Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen.
- (persoon) (figuurlijk) (informeel) man of mens
- iemand met een fors postuur
- (pejoratief) verwerpelijk persoon
|
- een brok in de keel krijgen
emotioneel aangedaan zijn
- • Met een brok in haar keel nam Chantal afscheid. [3]
- brokken maken
veel dingen laten mislukken
| vervoeging van |
|---|
| brokken |
brok
- Het woord brok staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "brok" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "brok" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ brok op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Suzanne Vermeer: All-inclusive 2008
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
brok m
- hagel; een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Persoon in het Nederlands
- Figuurlijk in het Nederlands
- Informeel in het Nederlands
- Pejoratief in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %
- Woorden in het Tsjechisch
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch