brok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

brokken van grafzerken
Uitspraak
Woordafbreking
  • brok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brok brokken
verkleinwoord brokje brokjes

Zelfstandig naamwoord

brok o v/m

  1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
    • Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven. 
  2. een restant van een constructie
    • Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen. 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een brok in de keel krijgen
emotioneel aangedaan zijn
  • brokken maken
veel dingen laten mislukken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
brokken

brok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken
    • Ik brok. 
  2. gebiedende wijs van brokken
    • Brok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brokken
    • Brok je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

brok m

  1. hagel; een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel.
Afgeleide begrippen