zak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak
enkelvoud meervoud
naamwoord zak zakken
verkleinwoord zakje zakjes

Zelfstandig naamwoord

zak m

  1. slappe, vormeloze tas
    • Stop die oude rommel maar in een zak. 
  2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    • Waarom hou je dat potlood de hele tijd in je hand, waarom stop je hem niet in je zak? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
iemand ontslaan
  • In zak en as zitten
niet meer weten wat te doen in een troosteloze situatie
  • In zijn zak hebben
iemand goed kennen ofwel: iets helemaal begrijpen ofwel: iets voor mekaar hebben
  • In zijn zak steken
geen antwoord meer weten ofwel: het met een antwoord moeten doen
  • Met pak en zak (gaan)
met veel bagage gaan
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zakken

zak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zakken
    • Ik zak. 
  2. gebiedende wijs van zakken
    • Zak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zakken
    • Zak je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie