lul

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
2. scheldwoord voor een man

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lul
Woordherkomst en -opbouw
  • oorspronkelijk een kan met een zuigpijpje [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lul lullen
verkleinwoord lulletje lulletjes

Zelfstandig naamwoord

lul m

  1. (vulgair) geslachtsdeel van de man
  2. (vulgair) (scheldwoord) scheldwoord voor een man
  3. (vulgair) sukkel, schlemiel
    • Ik moet de trein halen, anders ben ik de lul. 
  4. v Arch. (1811) [2]: een klein driehoekig zeil dat voor op kleine schepen gezet wordt, kuiffok
    • Ik koos de lul voor 't zeil - Huygens. 
  5. v Arch. (1811) [2]: een houten pijp aan een pomp waaruit het water loopt
    • De lul zit los. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lullen

lul

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lullen
    • Ik lul. 
  2. gebiedende wijs van lullen
    • Lul! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lullen
    • Lul je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. 2,0 2,1 Nederduitsch taalkundig woordenboek. P. Weiland 1807-1811