zeurzak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeur·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zeurzak zeurzakken
verkleinwoord zeurzakske zeurzakskes

Zelfstandig naamwoord

zeurzak v / m

  1. (scheldwoord) (informeel) iemand die steeds zeurt
    • Gij zijt een grote zeurzak. 
Synoniemen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.