zakdoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak·doek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘doek om de neus in te snuiten’ voor het eerst aangetroffen in 1775 [1]
  • samenstelling van  zak   en  doek  
enkelvoud meervoud
naamwoord zakdoek zakdoeken
verkleinwoord zakdoekje zakdoekjes

Zelfstandig naamwoord

zakdoek m

  1. een doek om de neus in te snuiten
    • Die vuile zakdoek gebruik ik niet! Die hangt vol snot! 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen