Naar inhoud springen

zakdoek

Uit WikiWoordenboek
  • zak·doek
  • In de betekenis van ‘doek om de neus in te snuiten’ voor het eerst aangetroffen in 1775 [1]
  • samenstelling van  zak  en  doek 
enkelvoud meervoud
naamwoord zakdoek zakdoeken
verkleinwoord zakdoekje zakdoekjes

dezakdoekm

  1. een doek om de neus in te snuiten
    • Die vuile zakdoek gebruik ik niet! Die hangt vol snot! 
     ' Tante zet haar bril af en poetst met een zakdoek de glazen schoon.[2]
     Hartverscheurend snikkend zat hij op de grond aan de rand van een kaal groentebed, in elkaar gedoken als een zielig hoopje mens met zijn zakdoek voor zijn gezicht.[3]
     Een man die hem tegemoetkwam haalde een grote rode zakdoek tevoorschijn en snoot.[4]



99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]

zakdoek

  1. zakdoek

zakdoek

  1. zakdoek