zakkig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak·kig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van zak met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zakkig zakkiger zakkigst
verbogen zakkige zakkigere zakkigste
partitief zakkigs zakkigers -

Bijvoeglijk naamwoord

zakkig

  1. (pejoratief) zich sullig, zonder pit gedragend
    Wat kan hij toch zakkige opmerkingen maken.
  2. aan een zak herinnerend
    Dat zakkige jasje staat hem helemaal niet.