zakkig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak·kig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van zak met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zakkig zakkiger zakkigst
verbogen zakkige zakkigere zakkigste
partitief zakkigs zakkigers -

Bijvoeglijk naamwoord

zakkig

  1. (pejoratief) zich sullig, zonder pit gedragend
    Wat kan hij toch zakkige opmerkingen maken.
  2. aan een zak herinnerend
    Dat zakkige jasje staat hem helemaal niet.

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders
65 % van de Vlamingen.