strozak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stro·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strozak strozakken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strozak m [1]

  1. een matras gevuld met stro
    • Het Vestingmuseum, met zijn vochtige stenen muren en waar de wind door de luistergaten loeit, is het hele jaar open. De gidsen nemen u graag mee naar de knusse kazemat waar de soldaten sliepen, waar hun bedden met strozakken staan en de kachel met turfjes gestookt werd.[2] 
    • Tachtigjarigen vinden het een unieke ervaring, omdat het sommigen doet herinneren aan vroeger toen ze sliepen op strozakken in het leger.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen