zakagenda

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak·agen·da
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakagenda zakagenda's
verkleinwoord zakagendaatje zakagendaatjes

Zelfstandig naamwoord

zakagenda m/v

  1. een klein formaat agenda
    • De zakagenda paste in mijn binnenzak. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be