gelukzak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·luk·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelukzak gelukzakken
verkleinwoord gelukzakje gelukzakjes

Zelfstandig naamwoord

gelukzak m

  1. iemand die veel toevallig voordeel heeft
    • ‘Gelukwensen, Pierre!’ zeiden een drietal jongelui, terwijl ze kwamen toegelopen om hem de hand te drukken. ‘Kerel, ben jij een gelukzak’, zei een andere. [1]
Synoniemen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen