Naar inhoud springen

zakken

Uit WikiWoordenboek
  • zak·ken
  • van Middelnederlands  sacken ww , op te vatten als afgeleid van  zak zn  met het achtervoegsel -en [1] [2] [3]
    • [1] in de betekenis van ‘dalen, zinken’ aangetroffen vanaf 1611 [4]
    • [2] in de betekenis van ‘niet slagen voor een examen’ aangetroffen vanaf 1897 [4]
    • [4] in de betekenis van 'in de maag doen zakken', 'verzwelgen' aangetroffen vanaf 1486 [5]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zakken
zakte
gezakt
zwak -t volledig

zakken

  1. ergatief naar beneden gaan
    • Gelukkig zakte het waterpeil voor de dijk door kon breken. 
     Ze liet haar schouders zakken, en ik wachtte tot ze met een onthulling zou komen, tot ze de waarheid zou prijsgeven die al in haar lag te sudderen vanaf het moment dat ze Lawries schilderij in de hal van het Skelton had gezien.[6]
  2. ergatief niet slagen voor een examen
    • Ik ben weer gezakt voor mijn rijexamen. 
  3. in elkaar zakken: dood, zwaargewond of door een flauwte op de grond vallen
    • Te meer daar Péricourt, die vlak vóór hem rende, door een kogel werd neergemaaid en min of meer rechtstandig in elkaar zakte, zodat Albert alleen maar over hem heen kon springen. [7] 
  • door de grond zakken van schaamte
zich heel erg schamen
 Ik kon wel door de grond zakken van schaamte.[6]

dezakkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zak
     Ik kocht twee zakken chips, een sixpack bier en een bear canister die verplicht was in het gebied waar ik de komende vier weken doorheen zou lopen.[8]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[9]