snoepzak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snoep·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snoepzak snoepzakken
verkleinwoord snoepzakje snoepzakjes

Zelfstandig naamwoord

snoepzak m

  1. verpakking van een verzameling snoepjes
    • Vertwijfeld bestelt hij z’n eerste pilsje. De kantine… Levensader van de club, afhankelijk van bieromzet en goedkope leveranciers. En dan krijgt hij gelazer over een automaat met Wokkels en Bounty’s. Gezeur over de verkoop van kleverige mierzoete gummiklodders in de vorm van een beertje of een konijntje. Belangrijkste agendapunt voor de volgende bestuursvergadering: de snoepzakjescrisis. De veteranenvoetballer, tevens bestuurslid kantinzaken, slaakt een diepe zucht.[1] 
    • Ten tweede lijkt het er steeds meer op dat het geen Avond4daagse betreft, maar een Snoep4daagse; in de supermarkten liggen speciaal voor het evenement meterslange snoepzakken. Oh ja, en ten derde, lijkt het inmiddels wel een Ouders4daagse.[2] 
  2. een plastic of papieren zakje dat gevuld wordt met snoep of zoutjes om kinderen zo te trakteren
    • "Ik snap niet dat er ouders zijn die hun kinderen slagroomtaarten laten trakteren als ze jarig zijn. En dan ook nog bakken met popcorn en snoepzakken van een kilo meegeven als uitdeelcadeautje voor thuis."[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. de Telegraaf BERT DIJKSTRA 04 mrt. 2017
  2. de Telegraaf MARIËT OOSTERWIJK 30 mei 2016
  3. de Telegraaf 16 feb. 2015