dikzak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dik·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dikzak dikzakken
verkleinwoord dikzakje dikzakjes

Zelfstandig naamwoord

dikzak m

  1. (pejoratief) iemand die zwaarlijvig is
    • Wat een dikzak ben jij geworden! 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.