dikzak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dik·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dikzak dikzakken
verkleinwoord dikzakje dikzakjes

Zelfstandig naamwoord

dikzak m

  1. (pejoratief) iemand die zwaarlijvig is
    • Wat een dikzak ben jij geworden! 
     ‘Halloo, what! old fellow, ouwe Hollander,’ zei de ‘captain.’ - ‘Never mind! - Jij bent bang, old Dutchman.’
    ‘Bang?’ zei Jan, en hij keek den Engelschman vlak in zijn gezicht. ‘Bang? Net zoo min als jij, maar het is mijn plicht om je te waarschouwen.’In dat oogenblik had Jan den Engelschen dikzak graag een ‘peuter’ willen geven, want hij werd niet graag ‘geaffronteerd,’ maar als men loods is, mag men tot zulke ‘werktuigelijkheden’ natuurlijk niet overgaan
    [1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 23 december 2020 Weblink bron J.W.F. Werumeus Buning ‘Ouwe Jan Hallema’. Een Portret uit het Zeegat van Hilligermond. in: De Gids. (1881), P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam, p. 110 op dbnl.org op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be