zijzak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijzak zijzakken
verkleinwoord zijzakje zijzakjes

Zelfstandig naamwoord

zijzak m [1]

  1. een opbergvak aan de zijkant van iets
    • Misschien toch maar eens een andere koffer aanschaffen, want ik reis altijd met zo’n rommelig geval met allerlei zijzakken, voorzien van vrij te openen ritsen. Ook heb ik geen slot op m'n koffer, want ik doe er nooit iets waardevols in. Maar nu blijkt dat er eerder zaken worden íngestopt, moet ik toch maar eens aan het betere hang- en sluitwerk. [2] 
    • Ik stond in een hoek van een dampende zaal in de Rode Hoed, waar de vlijtige campagnemedewerkers van Diederik Samsom net wat oerkreten hadden geslaakt, nadat voorzitter Spekman in zijn vakantiebroek-met-handige-zijzakken de winnaar bekend had gemaakt. [3] 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf MARJOLEIN SCHIPPER 12 nov. 2015 Angst voor koffer
  3. NRC Frits Abrahams 19 maart 2012 De dagen erna