zakpijp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak·pijp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakpijp zakpijpen
verkleinwoord zakpijpje zakpijpjes

Zelfstandig naamwoord

zakpijp v/m

  1. (muziekinstrument) een rietinstrument aangeblazen via een zak
    • In voorbije eeuwen was de zakpijp een belangrijk instrument in de muziek van de Lage Landen.  [1]
  2. (dierkunde) een van de diersoorten behorende tot de Ascidiacea een klasse van in zee levende chordadieren, die vanwege hun vorm genoemd zijn naar 1)
  3. hulpstuk aan de afvoer van kachels om een hoogteverschil tussen de uitlaatopening en de schoorsteen op te vangen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen