reiszak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

reiszak
Uitspraak
Woordafbreking
  • reis·zak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reiszak reiszakken
verkleinwoord reiszakje reiszakjes

Zelfstandig naamwoord

reiszak m [1]

  1. tas waarin men reisbenodigdheden kan pakken
    • De twintiger zou met een vlucht uit Canada in Fort Lauderdale zijn geland met een geweer in zijn bagage. Dat wapen haalde hij op het toilet uit de reiszak om naar de bagagezaal terug te keren en om zich heen te beginnen schieten.[2] 
    • Bij de huiszoekingen werden volgens het OM grote geldsommen gevonden, een kogelvrij vest, veel mobiele telefoons en simkaarten en talrijke klaargemaakte reiszakken met materiaal voor berg- en trektochten.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen