zakcent

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak·cent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakcent zakcenten
verkleinwoord zakcentje zakcentjes

Zelfstandig naamwoord

zakcent m

  1. geld om op zak te hebben voor kleine uitgaven
    • Die bonus was wat groter dan een eenvoudige zakcent. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.