oog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Eye scheme mulitlingual-nocircles.svg
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
oog
[1] Een oog.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: oghe
Oudnederlands: ōga
Germaans: *augô
Indo-Europees: *h₃ekʷ-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: eye (Angelsaksisch: ēaġe), Duits: Auge, (Oudhoogduits: ouga), Fries: each, ug, ooge (Oudfries: āge)
Noord: Zweeds: öga, Deens, øje, Noors/IJslands: auga, (Nynorsk: øye, Oudnoords: auga), Faeröers: eyga
Oost: Gotisch: augo
enkelvoud meervoud
naamwoord oog ogen
verkleinwoord oogje oogjes

Zelfstandig naamwoord

oog o

  1. (anatomie) een gezichtsorgaan van een mens of dier voor het waarnemen van lichtprikkels
    • Zijn oog functioneert niet correct meer. 
  2. een blik die men op iets richt
    • Alle ogen waren op die man gericht. 
  3. elk van de putjes op dobbel- en dominostenen die de waarde ervan aangeven
    • De ogen van de dobbelsteen waren licht beschadigd. 
  4. een oogvormige opening van sommige voorwerpen
    • Er zat een draad door het oog van een naald. 
  5. een hoefijzervormig ringetje aan kledingstukken waarin een haakje wordt bevestigd
  6. een uitgevloeide druppel vet op soep
  7. de knop van een plant
  8. plek op een aardappel waar bij het uitlopen een worteltje kan ontstaan
  9. oogvormig versiersel op de staart van pauwen en op de vleugels van sommige vlinders
  10. het centrum van een cycloon waar windstilte heerst
    • Zijn huis was middenin het oog van de cycloon gepositioneerd. 
  11. alleen in toponiemen: eiland
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ogen

oog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ogen
    • Ik oog. 
  2. gebiedende wijs van ogen
    • Oog! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ogen
    • Oog je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /uə̯χ/
enkelvoud meervoud
naamwoord oog

Zelfstandig naamwoord

oog

  1. (anatomie) oog